Historie

Klederdracht

Urk heeft, net als andere vissersplaatsen, een eigen klederdracht. Tegenwoordig wordt deze alleen gedragen door een beperkt aantal ouderen en op hoogtijdagen. Ondanks het feit dat de klederdracht niet veel meer gedragen wordt is het zeker de moeite waard om naar te kijken. 

Ook de klederdracht is aan mode onderhevig. Door de tijden heen zijn duidelijke verschillen zichtbaar. Het aantal mensen in klederdracht neemt ieder jaar af. Uit een telling van 1 januari 2000 blijkt dat 46 vrouwen en 16 mannen de Urker klederdracht nog dragen. Tijdens de Urkerdag, de zaterdag voor Pinksteren, lopen veel mensen in klederdracht. Jong en oud laten dan hun mooiste kleren zien. Daarnaast steken zangkoren zich in de dracht en willen grootouders hun kleinkinderen nog wel eens optuien (voor de sier aankleden. Met het verdwijnen van de klederdracht gingen ook rouwgebruiken verloren, evenals de werkgelegenheid en vaardigheid van de naaisters. In het museum "Het Oude Raadhuis" is een uitgebreide collectie klederdracht te zien.

Eiland af

Als op 28 mei 1932 de Afsluitdijk gesloten wordt, houdt de Zuiderzee op te bestaan en wordt na vele eeuwen het water bij Urk langzamerhand weer zoet. In de eerste zomers na de afsluiting van de Zuiderzee verschenen er op en bij de Afsluitdijk onafzienbare zwermen muggen, zo dicht dat auto's er voor moesten stoppen. Ook op Urk kwamen de muggen. Het water in de regenbakken, voor velen nog het enige drinkwater, werd ernstig verontreinigd door de larven. De muggen werden gevolgd door een massa grote spinnen die jacht maakten op de muggen. Er was toen sprake van een plaag. Door het uitzetten van karpers in het IJsselmeer, die de muggenlarven opaten, wilde men de muggen- en spinnenoverlast bestrijden. Op den duur werden de plagen minder, maar helemaal overgegaan is het nooit.

Op 2 februari 1936 werd begonnen met de voorbereidende werkzaamheden voor het droogleggen van de Noordoostpolder in het IJsselmeer. Een jaar later werd de aanbesteding gedaan voor de bouw van de dijken, met een totale lengte van 31,5 km. Het dijkvak tussen Urk en Lemmer werd op 3 oktober 1939 gesloten. Urk was niet langer een eiland. In 1942 valt het nieuwe land droog en in 1948 is de eerste wegverbinding met de "vaste wal" een feit. Overigens was Noordoostpolder niet de oorspronkelijke naam voor de polder. Er waren ook andere namen in omloop. Verschillende namen verwezen naar Urk en zowel in 1942 als in 1944 werd de naam Urkerland officieel vastgesteld. Pas in 1948 werd besloten tot de huidige naam.

Gemeentevlag

In 1964 is door de stichting voor Banistiek en Heraldiek in Muiderberg een ontwerp gemaakt voor een gemeentevlag. De omschrijving van de vlag luidt: "blauw met een witte schelvis, langs de bovenzijde van de vlag een smalle, in twee horizontale banen van rood en wit verdeelde zoom en langs de onderzijde van de vlag een smalle, in twee horizontale banen van rood en wit verdeelde zoom, de zomen met een hoogte van elk 1/6 van de totale vlaghoogte". Dit ontwerp is in 1965 door de gemeenteraad vastgesteld.

Het Urker dialect

In een groot deel van Nederland platteland wordt dialect gesproken. Zo ook op Urk. Maar terwijl de dialecten op het platteland in elkaar overvloeien vormt Urkers in figuurlijke zin een eiland. Het Urker dialect wordt alleen op Urk gesproken en is nauwelijks verwant aan andere dialecten. Dit kan verklaard worden uit het isolement van de bewoners. De Urker bevolking spreekt dan ook van 'Ik kom van Urk' of 'Ik woon op Urk' in plaats van 'Ik kom uit Urk' of 'Ik woon in Urk'.

Over de geschiedenis van het Urker dialect is weinig bekend. De oudst bewaard gebleven teksten die in het Urkers zijn geschreven dateren van omstreeks 1870. Eén ervan betreft het verhaal over de gelijkenis van de verloren zoon dat uit de Bijbel was overgenomen. Het Urker dialect zelf is natuurlijk al veel ouder. Er zijn taalkundige onderzoeken gedaan naar het Urker dialect. In 1874 en 1875 werd er voor het eerst gepubliceerd over het dialect. Na enkele artikelen van de Urker onderwijzer Klaas Koffeman volgden meer onderzoeken. Vooral naar specifieke woorden die alleen in het Urkers voorkomen, bijvoorbeeld; taote (vader), mimme (moeder), buie (vriend) en poesen (zoenen).

Het Urkers klinkt uniek. Het dialect kent 10 vocalen - (samengestelde) klinkers - die in een korte en een lange vorm voorkomen. Dit verschil in lengte is bepalend voor de betekenis van een woord.

Enkele typische Urker uitdrukkingen zijn:

Urker uitdrukkingen
Urkers Nederlands
Je moeten de skapen skeren nor se wolle eawen Je moet de schapen scheren naar ze wol hebben
Drie keer zal kabel ouwen Drie keer zal de kabel houden
Een gewoente wort wet Een gewoonte wordt wet
Je moeten niet alle soorten nor je eagen skatten Je moet niet alle soorten naar je eigen schatten
Geborsten kommetjes stoon et langste in et blad Gebarsten kommetjes staan het langst op het blad

Net als in het Nederlands vinden er aanpassingen plaats in het Urker dialect. Engelse woorden bijvoorbeeld, worden door de Urkers eigen gemaakt en op een eigen manier uitgesproken. Het dialect past zich ook aan naar de tijd waarin we leven, 100 jaar geleden werd er anders gesproken dan nu. Meer informatie over het Urker dialect is te vinden op: http://www.dialectkring.opurk.nl

Naamsverklaring

Voor de naam van het eiland bestaat geen sluitende verklaring. Taalkundig staat Urk naast Ork, wat onder meer inhoudt: onhandelbaar, koppig, onverzettelijk. Deze begrippen passen in beeldende zin heel goed bij een uit het water oprijzende hoogte, gelijk een rots. Zo lijkt het begrip hoogte, dat wel als mogelijke betekenis is genoemd, een goede gissing te zijn.

Daarnaast is Urk als eiland ongetwijfeld steeds een toevluchtsoord geweest. De genoemde betekenissen van ork kunnen overigens tevens karakteristiek zijn voor sommige wateren, wat een verklaring kan zijn voor diverse ork-achtige riviernamen.

Urk meer dan 1000 jaar

Het is meer dan 1000 jaar geleden als voor het eerst over Urk geschreven wordt. Uit bodemonderzoek van de Zuiderzee en historische gegevens blijkt dat het water bij Urk toen zoet moet zijn geweest. Urk wordt in 966 voor het eerst in oorkonden vermeld als "een eiland in het Almare" en hoorde bij de gouw Salland. In deze oorkonden, wordt meegedeeld dat Keizer Otto de Grote één helft van Urk aan het Pantaleonsklooster in Keulen geeft en de andere helft aan de St. Vitusabdij in Hoog-Elten.

Het eiland was ongeveer 80 hectare groot en bestond uit een hoge keileembult, de berg en een weiland. Op de berg die 12 hectare was, stonden woningen, kerken, de vuurtoren en andere gebouwen. Het laaggelegen weiland overstroomde voor de inpoldering regelmatig. Nu is dit deel ook bebouwd.

Eigenaren van Urk

Sinds de dertiende eeuw lieten de graven van Holland rechten op Urk gelden. De kloosters hadden het eiland niet meer in eigendom, Urk had nieuwe heren gekregen. Later zou het eiland nog een aantal keren, al dan niet rechtmatig, van eigenaar wisselen. Urk was een adellijk bezit, totdat Amsterdam het kreeg in het jaar 1660. Deze stad had belangstelling voor Urk vanwege zijn ligging aan de drukke scheepvaartroute over de toenmalige Zuiderzee. Het was de Amsterdamse burgemeester Gerrit Jacob Witsen die op Urk een vuurboet liet bouwen. Dit is een stellage waarop een strovuur als baken brandde. Op 1 september van het jaar 1615 werd de vuurboet voor de eerste keer ontstoken. De concurrentie tussen de toenmalige handelssteden aan de Zuiderzee was groot; Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik hadden behoefte aan veilige en gebruikszekere vaarroutes. Met de Urker vuurboet verstevigde Amsterdam haar positie. Het eiland en zijn bevolking hebben veel aan Amsterdam te danken. In deze stad werd in 1710 een grote loterij gehouden om op Urk een goede zeewering aan te leggen. Door afkalving van het eiland moest de vuurboet steeds worden verplaatst. Maar ook de berg bleek niet veilig, want ondanks de oeververdediging met keien uit de keileemgronden kalfde de berg af en na de beruchte stormramp van 1825 eindigde de berg vlak voor de vuurboet bijna loodrecht in zee. Op 4 april 1792 gaf de stad Amsterdam de heerlijkheid Urk terug aan de leenheren van de Staten van Holland. In 1814 werd Urk een Noordhollandse gemeente. Bij Koninklijk Besluit van 22 juli 1825 kreeg schout Lambertus Hunnink de titel van burgemeester. Na de ontwikkeling van de Noordoostpolder hoorde Urk vanaf 1950 tot de provincie Overijssel. Op 1 januari 1986 is Urk onderdeel geworden van de nieuwe provincie Flevoland.

Het wapen van Urk

Aan de gemeente Urk is bij Koninklijk Besluit van 26 november 1819 een wapen verleend. De beschrijving op het wapendiploma luidt: "Zijnde van lazuur, beladen met een schelvis in zijne natuurlijke kleur".

De kleur lazuur, ook wel aangeduid als ultramarijn, is de mooiste kleur onder de verfstoffen. De sterke binding die de vissersgemeenschap met de zee heeft wordt door de blauwe kleur tot uitdrukking gebracht.

Het feit dat Urk van oudsher een vissersgemeenschap is wordt uitgedrukt in de schelvis. Deze heeft van nature de volgende kleuren: de rug is donker groenbruin, de flanken zilverwit en de buik wit. Verder is de vis herkenbaar aan de kindraad. De huidige heraldische eis verbiedt echter in een wapen het gebruik van metaal op metaal evenals kleur op kleur. Op voorstel van de Hoge Raad van Adel wordt sinds 1955 de schelvis in zilver afgebeeld.

Haven

Naast de visserij vormt de scheepsindustrie een belangrijke poot van de Urker economie. De scheepsindustrie heeft door de tijd ook invloed gehad op de invulling van de Urker haven.

In 1840 bouwden Urker scheepsbouwers de eerste werf in de haven. Deze scheepswerf lag recht tegenover de haveningang. Daarvoor werden de schepen in Kuinre, Echten, Huizen of Enkhuizen gebouwd. In de beginjaren werden de ambachtslieden bij andere scheepswerven "geleend". Op Urk waren genoeg leerjongens voor de scheepsbouw want er was voor de meesten keuze uit drie beroepen: aan boord van een Urker botter, zich verhuren op de loggervloot of aan de slag als leerjongen op de werf. 

Na de vergroting van de haven in 1856 werd in 1862 begonnen met de bouw van een tweede werf. Deze werd in 1882 overgenomen door Louwrens Metz. In 1877 werd een derde werf aangelegd in de Urker haven. In dat jaar werd ook het havencomplex verder uitgebreid en uitgediept. De schepen, botters, waren van hout en werden met de hand gebouwd. De prijzen voor een nieuwe botter varieerden van 3.600 tot 4.500 gulden (€ 1634 - 2042). Hierbij kwamen nog de kosten voor rondhout en het tuig, circa 600 gulden (€ 272). De derde werf is ook nu nog in gebruik voor het restaureren van oude botters.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn veel schepen door de Duitser gevorderd. Slechts enkele schepen zijn teruggekeerd. Na de oorlog kwam de vraag naar stalen schepen pas echt op gang, hoewel een enkeling nog een houten botter liet bouwen. De schepen werden ook steeds groter. De eerste op Urk gebouwde stalen kotter was circa 13 meter lang, nu worden er schepen van meer dan 40 meter gebouwd. Deze komen van een moderne werf die Metz in 1975 aanlegde. 

Dat het na de oorlog goed ging met de Urker visserij was tegen de verwachting van de planologen. Door de afsluiting van de Zuiderzee voorzag men het einde van de visserij. Urk lag niet meer aan zee en het IJsselmeer bood geen bestaansrecht. De veronderstelling was dat de Urker vissers moesten verhuizen naar andere delen van Nederland of zelfs emigreren. Een paar Urker families hebben toen het geluk elders gezocht. Sommigen vertrokken naar Den Helder en Scheveningen, anderen emigreerden naar Zuid-Afrika. Maar na enkele jaren keerden de eersten al weer terug op Urk.

De achterblijvers bleven gewoon vissen op het IJsselmeer en de Noordzee. Vooral met de Noordzeevloot ging het goed, deze vloot breidde zich snel uit. De kotters die op de Noordzee visten werden door de ontwikkeling in de visserij steeds groter en sterker. Dit gaf echter problemen in de Urker haven, de vloot kon bijna niet meer afmeren. De Noordzeevloot verdubbelde tussen 1949 tot 1963 van 51 naar 110 schepen. De IJsselmeervloot bestond uit ruim 70 schepen. Daarom begon de gemeente in 1961 met het maken van plannen voor een nieuwe haven. Deze haven zou aan de westzijde van Urk komen, noordelijk van de vuurtoren. De nieuwe haven werd groots aangepakt. In het plan was langs een 5000 meter lange kade voldoende ruimte voor vissersschepen. Ook voor de visafslag en de industrie werd veel ruimte gereserveerd.

De plannen riepen veel weerstand op onder de bevolking. Voor de uitvoering ervan en de aanleg van de ontsluitingswegen voor de haven moesten veel woningen worden gesloopt. Ook tegen de locatie van de haven werd door de bevolking geprotesteerd. De haven zou vanaf de vuurtoren langs de dijk richting Lemmer aangelegd worden. Bovendien zou het aangezicht van Urk volledig veranderen. Mede door het verzet van de bevolking en druk vanuit Den Haag is dit plan in de prullenbak beland. Overigens werd de haven pas in 1974 bezit van Urk, daarvoor was Rijkswaterstaat eigenaar. Het grootste deel van de vloot ligt tegenwoordig in Lauwersoog, Harlingen en Den Helder.

Visserij

Visserij vormt al sinds de 17e eeuw de kurk waarop de Urker economie drijft. De kustvisserij op de Noordzee werd toen ook al bedreven, maar was niet van groot belang. In de 18e eeuw gingen de Urkers buitengaats vissen. De vis werd in Amsterdam op de markt gebracht.

Vanaf 1820 werd de visserij op ansjovis steeds belangrijker voor de Urker vissers. Op het eiland werd in die tijd de westhaven uitgegraven en daar werden de ansjoviszouterijen gevestigd. Hier werd de vis schoongemaakt en gezouten. De grootste afnemer was Duitsland. De ansjovisvisserij was grillig, het ene jaar werd er volop vis gevangen en het andere jaar bijna niets. Dit kwam ook in de prijs tot uitdruking. Een anker, van 30 kg, kostte tussen 30 en 100 gulden (€ 14 - 45). Er werd op verschillende manieren gevist. De Urkers visten met een kuil, een net dat achter een botter werd voorgetrokken. Om meer te vangen werd een groter net gebruikt. Hiervoor werden grotere botters met meer zeil gebouwd. Dit was een doorn in het oog van de vissers aan de oost- en zuidkant van de Zuiderzee. Zij visten vooral met een dwarskuil of met zijdenetten. De kwak- of wonderkuil, waar de Urkers mee visten, werd door de andere vissers aangewezen als boosdoener voor de mindere ansjovisvangsten. Hoe wisselvallig de visserij was leren de statistieken uit die tijd. Over de gehele Zuiderzee was de aanvoer in 1883 3000 ankers, in 1884 25.000 ankers en in 1885 85.000 ankers. In 1889 werden er slechts 1600 ankers gevangen. Het topjaar was 1890 met een aanvoer van 190.000 ankers.

Na 1890 kwam de seizoenvisserij tot ontwikkeling op de Zuiderzee. Hierdoor konden er verschillende soorten visserij worden beoefend. Hiervan waren minder mensen op de schepen nodig. De haringvisserij was ook een seizoenvisserij en kon veel mensen gebruiken. Zodoende werden de eerste Urkers in 1893 in dienst genomen voor de haringvisserij. Dit beviel goed aangezien de verdiensten in de kustvisserij meer en meer achteruitgingen. In de winter werd op Urk de bemanning gezocht voor het aanstaande haringseizoen. Ze werden dan officieel aangemonsterd en kregen het zogenaamde monstergeld, 25 tot 35 gulden (€ 11 - 16)ineens voor een matroos, jongens naar verhouding iets minder. De vissers gingen dan eerst enkele weken op de ansjovisvangst en daarna op de haringvangst op de Noordzee. Als het meezat konden zij drie- tot vierhonderd gulden (€ 136 - 182)verdienen in twintig tot vijfentwintig weken.

In 1905 werd de eerste visafslag geopend. Urk was hiermee één van de eerste Zuiderzeeplaatsen met een visafslag. De visafslag draaide voor het eerst in de zouterij van Jacob ten Napel. Cornelis Koffeman was de eerste visserman die met de UK 223 haring aan de afslag bracht. Pieter Keuter was de eerste koper, hij kocht een tal haring (200 stuks) voor een rijksdaalder (€ 1,13). Over de aanvoer aan de visafslag zijn pas vanaf 1907 uitvoerige gegevens bekend. Dat jaar werd de volgende omzet bereikt:

 

Soort vis

Aantal

Totaal prijs (f)

Totaal prijs (€)

Haring

95.426 tal

116.927,05

53.059,18

Spiering

2.025 kg

19,25

8,74

Bot

2.926 kg

663,00

300,86

Ansjovis

1.506.500 st.

23.275,46

10.561,94

Aal

12.253 kg

2.880,13

1.306,95

Totale omzet

 

143.846,89

65.248,87

In 1931 pakten donkere wolken zich samen boven de wereld. In Duitsland kreeg de nazipartij steeds meer macht. Dit had ook gevolgen voor de ansjovisvisserij. Duitsland verbood de invoer van ansjovis, wat meteen in de prijs tot uiting kwam. In 1930 kreeg men 25 tot 30 cent per kilo, in 1931 was dit 5 tot 6 cent per kilo ansjovis (11 - 14 eurocent, respectievelijk 2 - 3).

In 1932 kwam de Afsluitdijk gereed. Zuiderzee werd IJsselmeer. Zout water werd brak en daarna zoet. Door de afsluiting van de Zuiderzee nam ook de visstand af. Om de visstand te beschermen werden de visserschepen ingedeeld in drie klassen. Klasse 1 had de grootste schepen en ving hiermee de meeste vis. Deze mochten niet meer op het IJsselmeer vissen. Dit was de klasse waarin de meeste Urkers waren ingedeeld. Zij kregen een vergoeding van 2000 gulden (€ 908) aangeboden. Maar de Urkers vochten voor het behoud. Zij verruimden de horizon en probeerden hun geluk op de Noordzee. Dit pakte voor de Urkers goed uit. Zij konden in de kustvisserij een goede boterham verdienen. De Noordzeevis werd verkocht op visveilingen van Amsterdam en Den Helder.

In 1962 werd de eerste Noordzeevis op Urk geveild. In het eerste jaar werd 412 keer door een Noordzeevisser gelost en verkocht aan de visafslag van Urk, dit was totaal 1.574.976 kg zeevis voor een bedrag van 1.799.658 gulden (€ 816.649)
In Nederland is Urk uitgegroeid tot één van de belangrijkste vissersplaatsen. Een relatief groot aantal schepen heeft Urk als thuishaven: ongeveer één kwart van de totale platvis- en rondvisvloot. De haven van Urk is echter niet meer bereikbaar voor de grote vissersschepen. Daarom leggen de schepen van de Urkervloot aan in de Noordzeehavens. De vis wordt vervolgens per vrachtauto naar de visafslag van Urk gebracht. De vloot kan gerekend worden tot de modernste van Europa. De aangevoerde vis wordt op de afslag eerst gesorteerd en dan geveild.

De geveilde vis gaat grotendeels naar de ruim honderd visverwerkende bedrijven op Urk. Deze werken vooral voor de export, die in 1998 ruim 1,7 miljard gulden (€ 770mln) bedroeg.

Van de 2000 Urkers die direct of indirect in de visserij werkzaam zijn, varen bijna 900 mannen op de vloot. De overigen, zowel mannen als vrouwen, zijn in dienst van de visverwerkende bedrijven of in één van de toeleveringsbedrijven op Urk.

Bevolking

De bevolking van Urk kan worden omschreven als jong, hecht en gelovig. Voor de oorlog was het bestaan hard, eenvoudig en arm. Na de oorlog kwam de economische ommekeer en verbeterden welvaart en welzijn aanzienlijk. Verder zijn Urk en 'vis' vrijwel synoniemen van elkaar, iets dat ook tot uiting komt in het gemeentewapen.

De leeftijdsopbouw van de Urker bevolking is opvallend; 50% is jonger dan 25 jaar terwijl het landelijke percentage op 25 ligt. Tot de oorlog verdubbelde de bevolking ongeveer elke 75 jaar. Zo waren er in 1637 slechts 151 bewoners, honderd jaar later bijna 400 en in 1850 bedroeg het inwonertal 1200. Na de oorlog groeide de bevolking veel sneller, om in oktober 2003 de 17.000 te bereiken. Dit is te danken aan de aanzienlijk verbetering van welzijn en de ruimtewinst in de polder. Hierdoor konden veel Urkers die noodgedwongen waren verhuisd terugkeren. De voornaamste bron van inkomsten op Urk was en is de visserij. Dat de vis duur wordt betaald is te zien bij het vissersmonument. Sinds 1865 zijn niet minder dan 353 Urkers in de golven omgekomen. De gevaren van de visserij hebben ongetwijfeld een stempel gedrukt op het Urker volkskarakter.

Een paradijs is het op Urk nooit geweest. Rampen en epidemiën wisselden elkaar af. In de visserij wisselden goede en slechte jaren elkaar af. Een grilliger zee dan de Zuiderzee bestond er niet. Een enkele keer werd men er zwaarmoedig van en wilde men de visserij voorgoed de rug toe keren. Maar steeds kwam de levendigheid en het gevoel van eigenwaarde weer terug met de wil om de naam van Urk hoog te houden. In tijden van tegenslag week ook de laatste verdeeldheid op Urk en maakte plaats voor eendracht met trouw aan diep gewortelde zeden en gewoonten. Niemand piekerde er over om het eiland met de hechte gemeenschap, waar geen deur op slot was en iedereen bij elkaar binnen liep, te verlaten om elders een bestaan op te bouwen. Afgezonderd van de wereld met al haar verleiding aanvaardde men op Urk het veranderlijke leven in voor- en tegenspoed. Een leven vol contrasten, met hang naar avontuur, geborgenheid en gezelligheid, afgewisseld met rivaliteit en hulpvaardigheid. De Urkers toonden vitaliteit, dit heeft het eiland steeds behoed voor al te grote verstarring. Dit blijkt onder andere uit het economische leven, zij waren van de Zuiderzeevissers de enige die op de Noordzee gingen  vissen toen de overigen zich terugtrokken op het IJsselmeer. Ook begonnen zij als eersten met de motorisering van de vloot.
 

Opvallend levendig was het geloof in heksen. In 1875 worden 82 vrouwen als heks aangewezen. Een oude vrouw met "enen enigszins spitse neus of kin" werd al snel als heks aangezien. De kollen, zoals ze op het eiland werden genoemd, kwamen om middennacht samen en gedroegen zich dan net zoals in de rest van Nederland werd gedacht. Met de komst van straatverlichting nam het geloof in heksen en kollen af. Dankzij de elektrische straatverlichting werden alle donkere hoekjes, waar de bewoners heksen of duivels meenden te zien, goed verlicht. Overigens waren deze gebruiken nauwelijks bijgeloof te noemen, het was meer een vorm van traditie. Het christelijk geloof vormt nog steeds de basis voor het leven op Urk. De gevaren van de visserij en de terugkerende armoede bevestigden keer op keer het besef van de nietigheid van het bestaan en de afhankelijkheid van Gods zegen. De zondagen staan dan ook vrijwel geheel in het teken van de sabbatsviering.

  • Lees voor