Quickmenu

Lees voor

Bevolking

< terugHome / Historie / Bevolking
Urker kinderen
De bevolking van Urk kan worden omschreven als jong, hecht en gelovig. Voor de oorlog was het bestaan hard, eenvoudig en arm. Na de oorlog kwam de economische ommekeer en verbeterden welvaart en welzijn aanzienlijk. Verder zijn Urk en 'vis' vrijwel synoniemen van elkaar, iets dat ook tot uiting komt in het gemeentewapen.

De leeftijdsopbouw van de Urker bevolking is opvallend; 50% is jonger dan 25 jaar terwijl het landelijke percentage op 25 ligt. Tot de oorlog verdubbelde de bevolking ongeveer elke 75 jaar. Zo waren er in 1637 slechts 151 bewoners, honderd jaar later bijna 400 en in 1850 bedroeg het inwonertal 1200. Na de oorlog groeide de bevolking veel sneller, om in oktober 2003 de 17.000 te bereiken. Dit is te danken aan de aanzienlijk verbetering van welzijn en de ruimtewinst in de polder. Hierdoor konden veel Urkers die noodgedwongen waren verhuisd terugkeren. De voornaamste bron van inkomsten op Urk was en is de visserij. Dat de vis duur wordt betaald is te zien bij het vissersmonument. Sinds 1865 zijn niet minder dan 353 Urkers in de golven omgekomen. De gevaren van de visserij hebben ongetwijfeld een stempel gedrukt op het Urker volkskarakter.

Een paradijs is het op Urk nooit geweest. Rampen en epidemiën wisselden elkaar af. In de visserij wisselden goede en slechte jaren elkaar af. Een grilliger zee dan de Zuiderzee bestond er niet. Een enkele keer werd men er zwaarmoedig van en wilde men de visserij voorgoed de rug toe keren. Maar steeds kwam de levendigheid en het gevoel van eigenwaarde weer terug met de wil om de naam van Urk hoog te houden. In tijden van tegenslag week ook de laatste verdeeldheid op Urk en maakte plaats voor eendracht met trouw aan diep gewortelde zeden en gewoonten. Niemand piekerde er over om het eiland met de hechte gemeenschap, waar geen deur op slot was en iedereen bij elkaar binnen liep, te verlaten om elders een bestaan op te bouwen. Afgezonderd van de wereld met al haar verleiding aanvaardde men op Urk het veranderlijke leven in voor- en tegenspoed. Een leven vol contrasten, met hang naar avontuur, geborgenheid en gezelligheid, afgewisseld met rivaliteit en hulpvaardigheid. De Urkers toonden vitaliteit, dit heeft het eiland steeds behoed voor al te grote verstarring. Dit blijkt onder andere uit het economische leven, zij waren van de Zuiderzeevissers de enige die op de Noordzee gingen  vissen toen de overigen zich terugtrokken op het IJsselmeer. Ook begonnen zij als eersten met de motorisering van de vloot.

Opvallend levendig was het geloof in heksen. In 1875 worden 82 vrouwen als heks aangewezen. Een oude vrouw met "enen enigszins spitse neus of kin" werd al snel als heks aangezien. De kollen, zoals ze op het eiland werden genoemd, kwamen om middennacht samen en gedroegen zich dan net zoals in de rest van Nederland werd gedacht. Met de komst van straatverlichting nam het geloof in heksen en kollen af. Dankzij de elektrische straatverlichting werden alle donkere hoekjes, waar de bewoners heksen of duivels meenden te zien, goed verlicht. Overigens waren deze gebruiken nauwelijks bijgeloof te noemen, het was meer een vorm van traditie. Het christelijk geloof vormt nog steeds de basis voor het leven op Urk. De gevaren van de visserij en de terugkerende armoede bevestigden keer op keer het besef van de nietigheid van het bestaan en de afhankelijkheid van Gods zegen. De zondagen staan dan ook vrijwel geheel in het teken van de sabbatsviering.