Navigatie
Visserij
Visserij vormt al sinds de 17e eeuw de kurk waarop de Urker economie drijft. De kustvisserij op de Noordzee werd toen ook al bedreven, maar was niet van groot belang. In de 18e eeuw gingen de Urkers buitengaats vissen. De vis werd in Amsterdam op de markt gebracht.
Vanaf 1820 werd de visserij op ansjovis steeds belangrijker voor de Urker vissers. Op het eiland werd in die tijd de westhaven uitgegraven en daar werden de ansjoviszouterijen gevestigd. Hier werd de vis schoongemaakt en gezouten. De grootste afnemer was Duitsland. De ansjovisvisserij was grillig, het ene jaar werd er volop vis gevangen en het andere jaar bijna niets. Dit kwam ook in de prijs tot uitdruking. Een anker, van 30 kg, kostte tussen 30 en 100 gulden (€ 14 - 45). Er werd op verschillende manieren gevist. De Urkers visten met een kuil, een net dat achter een botter werd voorgetrokken. Om meer te vangen werd een groter net gebruikt. Hiervoor werden grotere botters met meer zeil gebouwd. Dit was een doorn in het oog van de vissers aan de oost- en zuidkant van de Zuiderzee. Zij visten vooral met een dwarskuil of met zijdenetten. De kwak- of wonderkuil, waar de Urkers mee visten, werd door de andere vissers aangewezen als boosdoener voor de mindere ansjovisvangsten. Hoe wisselvallig de visserij was leren de statistieken uit die tijd. Over de gehele Zuiderzee was de aanvoer in 1883 3000 ankers, in 1884 25.000 ankers en in 1885 85.000 ankers. In 1889 werden er slechts 1600 ankers gevangen. Het topjaar was 1890 met een aanvoer van 190.000 ankers.
Na 1890 kwam de seizoenvisserij tot ontwikkeling op de Zuiderzee. Hierdoor konden er verschillende soorten visserij worden beoefend. Hiervan waren minder mensen op de schepen nodig. De haringvisserij was ook een seizoenvisserij en kon veel mensen gebruiken. Zodoende werden de eerste Urkers in 1893 in dienst genomen voor de haringvisserij. Dit beviel goed aangezien de verdiensten in de kustvisserij meer en meer achteruitgingen. In de winter werd op Urk de bemanning gezocht voor het aanstaande haringseizoen. Ze werden dan officieel aangemonsterd en kregen het zogenaamde monstergeld, 25 tot 35 gulden (€ 11 - 16)ineens voor een matroos, jongens naar verhouding iets minder. De vissers gingen dan eerst enkele weken op de ansjovisvangst en daarna op de haringvangst op de Noordzee. Als het meezat konden zij drie- tot vierhonderd gulden (€ 136 - 182)verdienen in twintig tot vijfentwintig weken.
In 1905 werd de eerste visafslag geopend. Urk was hiermee één van de eerste Zuiderzeeplaatsen met een visafslag. De visafslag draaide voor het eerst in de zouterij van Jacob ten Napel. Cornelis Koffeman was de eerste visserman die met de UK 223 haring aan de afslag bracht. Pieter Keuter was de eerste koper, hij kocht een tal haring (200 stuks) voor een rijksdaalder (€ 1,13). Over de aanvoer aan de visafslag zijn pas vanaf 1907 uitvoerige gegevens bekend. Dat jaar werd de volgende omzet bereikt:
Soort vis | Aantal | Totaal prijs (f) | Totaal prijs (€) |
Haring | 95.426 tal | 116.927,05 | 53.059,18 |
Spiering | 2.025 kg | 19,25 | 8,74 |
Bot | 2.926 kg | 663,00 | 300,86 |
Ansjovis | 1.506.500 st. | 23.275,46 | 10.561,94 |
Aal | 12.253 kg | 2.880,13 | 1.306,95 |
Totale omzet | 143.846,89 | 65.248,87 |
In 1931 pakten donkere wolken zich samen boven de wereld. In Duitsland kreeg de nazipartij steeds meer macht. Dit had ook gevolgen voor de ansjovisvisserij. Duitsland verbood de invoer van ansjovis, wat meteen in de prijs tot uiting kwam. In 1930 kreeg men 25 tot 30 cent per kilo, in 1931 was dit 5 tot 6 cent per kilo ansjovis (11 - 14 eurocent, respectievelijk 2 - 3).
In 1932 kwam de Afsluitdijk gereed. Zuiderzee werd IJsselmeer. Zout water werd brak en daarna zoet. Door de afsluiting van de Zuiderzee nam ook de visstand af. Om de visstand te beschermen werden de visserschepen ingedeeld in drie klassen. Klasse 1 had de grootste schepen en ving hiermee de meeste vis. Deze mochten niet meer op het IJsselmeer vissen. Dit was de klasse waarin de meeste Urkers waren ingedeeld. Zij kregen een vergoeding van 2000 gulden (€ 908) aangeboden. Maar de Urkers vochten voor het behoud. Zij verruimden de horizon en probeerden hun geluk op de Noordzee. Dit pakte voor de Urkers goed uit. Zij konden in de kustvisserij een goede boterham verdienen. De Noordzeevis werd verkocht op visveilingen van Amsterdam en Den Helder.
In 1962 werd de eerste Noordzeevis op Urk geveild. In het eerste jaar werd 412 keer door een Noordzeevisser gelost en verkocht aan de visafslag van Urk, dit was totaal 1.574.976 kg zeevis voor een bedrag van 1.799.658 gulden (€ 816.649)
In Nederland is Urk uitgegroeid tot één van de belangrijkste vissersplaatsen. Een relatief groot aantal schepen heeft Urk als thuishaven: ongeveer één kwart van de totale platvis- en rondvisvloot. De haven van Urk is echter niet meer bereikbaar voor de grote vissersschepen. Daarom leggen de schepen van de Urkervloot aan in de Noordzeehavens. De vis wordt vervolgens per vrachtauto naar de visafslag van Urk gebracht. De vloot kan gerekend worden tot de modernste van Europa. De aangevoerde vis wordt op de afslag eerst gesorteerd en dan geveild.
De geveilde vis gaat grotendeels naar de ruim honderd visverwerkende bedrijven op Urk. Deze werken vooral voor de export, die in 1998 ruim 1,7 miljard gulden (€ 770mln) bedroeg.
Van de 2000 Urkers die direct of indirect in de visserij werkzaam zijn, varen bijna 900 mannen op de vloot. De overigen, zowel mannen als vrouwen, zijn in dienst van de visverwerkende bedrijven of in één van de toeleveringsbedrijven op Urk.
