Quickmenu

Lees voor

Haven

gezicht op haven
Naast de visserij vormt de scheepsindustrie een belangrijke poot van de Urker economie. De scheepsindustrie heeft door de tijd ook invloed gehad op de invulling van de Urker haven.

In 1840 bouwden Urker scheepsbouwers de eerste werf in de haven. Deze scheepswerf lag recht tegenover de haveningang. Daarvoor werden de schepen in Kuinre, Echten, Huizen of Enkhuizen gebouwd. In de beginjaren werden de ambachtslieden bij andere scheepswerven "geleend". Op Urk waren genoeg leerjongens voor de scheepsbouw want er was voor de meesten keuze uit drie beroepen: aan boord van een Urker botter, zich verhuren op de loggervloot of aan de slag als leerjongen op de werf.

Na de vergroting van de haven in 1856 werd in 1862 begonnen met de bouw van een tweede werf. Deze werd in 1882 overgenomen door Louwrens Metz. In 1877 werd een derde werf aangelegd in de Urker haven. In dat jaar werd ook het havencomplex verder uitgebreid en uitgediept. De schepen, botters, waren van hout en werden met de hand gebouwd. De prijzen voor een nieuwe botter varieerden van 3.600 tot 4.500 gulden (€ 1634 - 2042). Hierbij kwamen nog de kosten voor rondhout en het tuig, circa 600 gulden (€ 272). De derde werf is ook nu nog in gebruik voor het restaureren van oude botters.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn veel schepen door de Duitser gevorderd. Slechts enkele schepen zijn teruggekeerd. Na de oorlog kwam de vraag naar stalen schepen pas echt op gang, hoewel een enkeling nog een houten botter liet bouwen. De schepen werden ook steeds groter. De eerste op Urk gebouwde stalen kotter was circa 13 meter lang, nu worden er schepen van meer dan 40 meter gebouwd. Deze komen van een moderne werf die Metz in 1975 aanlegde.

Dat het na de oorlog goed ging met de Urker visserij was tegen de verwachting van de planologen. Door de afsluiting van de Zuiderzee voorzag men het einde van de visserij. Urk lag niet meer aan zee en het IJsselmeer bood geen bestaansrecht. De veronderstelling was dat de Urker vissers moesten verhuizen naar andere delen van Nederland of zelfs emigreren. Een paar Urker families hebben toen het geluk elders gezocht. Sommigen vertrokken naar Den Helder en Scheveningen, anderen emigreerden naar Zuid-Afrika. Maar na enkele jaren keerden de eersten al weer terug op Urk.

De achterblijvers bleven gewoon vissen op het IJsselmeer en de Noordzee. Vooral met de Noordzeevloot ging het goed, deze vloot breidde zich snel uit. De kotters die op de Noordzee visten werden door de ontwikkeling in de visserij steeds groter en sterker. Dit gaf echter problemen in de Urker haven, de vloot kon bijna niet meer afmeren. De Noordzeevloot verdubbelde tussen 1949 tot 1963 van 51 naar 110 schepen. De IJsselmeervloot bestond uit ruim 70 schepen. Daarom begon de gemeente in 1961 met het maken van plannen voor een nieuwe haven. Deze haven zou aan de westzijde van Urk komen, noordelijk van de vuurtoren. De nieuwe haven werd groots aangepakt. In het plan was langs een 5000 meter lange kade voldoende ruimte voor vissersschepen. Ook voor de visafslag en de industrie werd veel ruimte gereserveerd.

De plannen riepen veel weerstand op onder de bevolking. Voor de uitvoering ervan en de aanleg van de ontsluitingswegen voor de haven moesten veel woningen worden gesloopt. Ook tegen de locatie van de haven werd door de bevolking geprotesteerd. De haven zou vanaf de vuurtoren langs de dijk richting Lemmer aangelegd worden. Bovendien zou het aangezicht van Urk volledig veranderen. Mede door het verzet van de bevolking en druk vanuit Den Haag is dit plan in de prullenbak beland. Overigens werd de haven pas in 1974 bezit van Urk, daarvoor was Rijkswaterstaat eigenaar. Het grootste deel van de vloot ligt tegenwoordig in Lauwersoog, Harlingen en Den Helder.